Fragment uit deel I van de Taragon Trilogie: Het Groene Vuur

De ineengedoken figuur bewoog zich zo snel als hij kon door het bos, het bundeltje stevig tegen zijn borst geklemd. Behalve het geluid van de stromende regen was het stil, en toch voelde hij het gevaar naderen. Het licht van de volle maan was helder genoeg om het bijna dag te laten lijken, zolang het niet verdween achter de snelle donkere wolken die langs de hemel joegen. Met steeds kortere tussenpozen lichtte het woud op door een felle bliksemschicht .
Ineens hoorde hij hoefgetrappel door het bos klinken. Vlug verschool hij zich in het struikgewas. Het geluid kwam nu snel dichterbij. Hij hoorde het gesnuif van de paarden. Voorzichtig gluurde hij tussen de bladeren door, en het was alsof een koude hand om zijn hart greep. Dragoniaanse soldaten! Hoe konden die ongemerkt zo ver in Westenrijk zijn binnengedrongen?
Vlak voor de struik waarin hij zat, hielden de twee ruiters hun paarden in. Hij kon hun sissende stemmen duidelijk horen.
‘Het kamp moet hier ergens zijn,' sprak de ene, ‘het kind moet vannacht zijn geboren. Gisteren was de zonsverduistering en vannacht is het volle maan.'
Wanneer de nacht licht is, en de dag in duister gehuld, dan wordt deze voorspelling vervuld , dacht de kleine gestalte toen hij deze woorden hoorde.
Eén van de zwarte paarden snoof plotseling in de richting van het struikgewas waarin hij zich had verborgen. Met ingehouden adem drukte hij het bundeltje nog steviger tegen zich aan. Toen hij er zeker van was dat hij zou worden ontdekt, gaven de ruiters hun paarden de sporen en verdwenen tussen de bomen. Het duurde even voordat hij weer normaal adem durfde te halen en te voorschijn kroop. Trillend veegde hij het koude zweet van zijn voorhoofd en zette zijn tocht voort. Hij moest het kamp bereiken voordat het te laat was, voordat de twee soldaten het zouden ontdekken. In de verte zag hij de omtrekken van de woonwagens zich al aftekenen.
De wagen waarin zij lag stond iets buiten het kamp. Geruisloos sloop hij er naar binnen. De jonge vrouw in het bed lag nog in diepe slaap van het kruid dat ze haar hadden gegeven. Voorzichtig liet hij het kleine bundeltje in het lege wiegje glijden en dekte het toe.
Op dat moment hoorde hij opnieuw het naderende hoefgetrappel. Hij kon nog net door de deur wegglippen voordat de twee zwarte schimmen bij de wagen kwamen en er binnengingen. Vanachter een boom keek hij toe hoe ze even later weer buiten kwamen. De ene ruiter droeg de slapende jonge vrouw, gewikkeld in een deken, en de andere het kleine bundeltje dat hij zojuist had achtergelaten. Ondanks hun nieuwe last klommen beide mannen moeiteloos op hun grote rijdieren. Uit het bundeltje klonk nu zachtjes het gehuil van een baby, dat wegstierf met de galop van de paarden.
Hij glimlachte. Tot zover was het plan geslaagd, het Genootschap kon tevreden zijn.
DE GRIJZE WOLF
De maan scheen door het open dakluik en wierp een poel van licht op de slaapkamervloer. In het andere raam boven zijn bed kon Matthias zijn spiegelbeeld zien liggen. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en tuurde naar zichzelf.
Op het eerste gezicht een heel normale jongen van veertien. De bonte lappendeken had hij naar het voeteneinde getrappeld. Eigenlijk was het ook al te warm voor zijn katoenen nachthemd. Hij sperde zijn ogen open waardoor de pupillen zich samentrokken. Nu was er toch iets bijzonders aan de afspiegeling die op hem neerkeek. De mensen in het Klaverdal hadden nog nooit zulke vreemde ogen gezien. Een groenblauwe kleur, zonder tekening erin, maar met een egale turquoise glans. In het dorp werd gefluisterd dat het de ogen van duivel waren. Sommigen zeiden dat Matthias een wisselkind was, door de trollen of andere wezens achtergelaten om onheil over het dal te brengen. De kinderen uit het dorp noemden hem ‘heksenjong' en ‘duivelsoog'.
Hij kwam overeind en drukte zijn voorhoofd tegen het koele glas. Tot zijn ergernis ontdekte hij een paar nieuwe sproeten op zijn neus. Snel ademde hij een grote dampplek totdat hij zichzelf niet meer kon zien.
De eerste zonnestralen kwamen als spinnenpoten boven de bergtoppen uit. Zoals iedere ochtend probeerde Matthias zich voor te stellen wat er aan de andere kant van de bergen was.
Maar weinig mensen uit het dorp waren voorbij het volgende dal geweest. De tocht over de bergen duurde dan ook bijna twee weken. Alleen Tobias de Visser beweerde verder dan het Dennendal te zijn gereisd, lang geleden, toen hij nog een sterke jonge kerel was. Hij vertelde dat hij zelfs bij ‘de zee' was geweest. Dat was net zoiets was als het Grote Meer, maar dan duizend keer groter, zodat je de overkant niet eens kon zien. Natuurlijk geloofde niemand hem, want Tobias stond bekend als een fantast en een verhalenverzinner. Vooral wanneer hij op het dorpsplein te veel wijn had gedronken in herberg ‘De Schele Eekhoorn'. Simon, de waard, had gezegd dat het onmogelijk was. Zo veel water bestond er op de hele wereld niet. En de waterval die nodig zou zijn om deze ‘zee' te blijven vullen moest dan wel zó hoog zijn, dat die regelrecht uit de hemel stroomde. Hiermee was voor de dorpelingen onomstotelijk bewezen dat ‘de zee' weer een van de verzinsels van de oude Tobias was. Niemand had ooit gehoord van een waterval die uit de hemel kwam. Vooral toen Tobias ook nog vertelde dat het water uit de zee naar zout smaakte, hadden de mensen gegierd van het lachen.
‘Dan komen de vissen zeker kant en klaar gepekeld uit het water,' had bolle Janis, de bakker, geroepen. Iedereen had krom gelegen van plezier.
De oude Tobias had hierop alleen maar zijn schouders opgehaald. ‘Ik weet wat ik gezien heb, jullie kunnen het geloven of niet.'
‘De bodem van je glas, die heb je zeker te vaak gezien,' had bolle Janis geantwoord, en toen waren ze allemaal bijna van hun stoel gerold.
De zon kwam nu half boven de bergkam uit. Matthias hoorde zijn moeder in de keuken. Door de vloerplanken heen rook hij de geur van gebakken spek, appelen en kaneel. Ineens schoot hem te binnen waarom ze al zo vroeg aan het bakken was. Vandaag was het Derkoningendag! Opgewonden sprong hij zijn bed uit. Terwijl hij de trap af stommelde probeerde hij zijn onwillige piekharen glad te strijken.
Een stapel dampende pannenkoeken stond al af te koelen. Zijn moeder goot een scheut nieuw beslag in de sissende pan.
‘Vader heeft het hout al gehaald en de eieren geraapt. Ga je maar gauw wassen, dan is deze zo meteen voor jou.'
Zo vlug hij kon waste hij zijn handen en zijn gezicht bij de put. Met roodglimmende wangen van het koude water schoof hij aan de houten tafel. Zijn moeder liet de goudgele pannenkoek op zijn bord glijden. De klont boter glibberde er nog op rond.
‘Waar is vader?' vroeg Matthias tussen twee happen door.
‘Die is vanmorgen vroeg al naar het dorp gereden met de kar.' Met de punt van haar schort veegde zijn moeder een lik boter van zijn wang.
‘Mahaaam…' verstoord draaide Matthias zijn hoofd weg.
‘Ik dacht dat ik met vader mee kon rijden,' mompelde hij kauwend.
Even later begon Matthias aan de wandeling naar het dorp. Zijn moeder had hem een mand met pannenkoeken meegegeven. Elk jaar op Derkoningen bracht iedereen iets mee voor het grote feestmaal aan het eind van de dag.
Hun kleine boerderij stond een eind buiten het dorp, want Frenkel, zijn vader, had het niet zo op met ‘te veel drukte'. Matthias vond het wel fijn zo, hij voelde zich niet erg op zijn gemak met veel mensen om zich heen. Het liefst dwaalde hij uren in zijn eentje door de bergen, of door het bos tussen de boerderij en het dorp. Hij fantaseerde vaak over het dal aan de andere kant van de bergen. Later zou hij lange reizen maken. Dan zouden alle mensen wel zien dat hij helemaal geen bange verlegen jongen was, en ook geen heksenkind. Als hij kon vertellen over de wijde wereld, en de avonturen die hij had meegemaakt, zou niemand het meer wagen om hem weg te sturen of uit te schelden.
De mand werd na een tijdje wel erg zwaar aan zijn arm, dus zette hij die boven op zijn hoofd. Nu hoefde hij hem nog maar met één hand op de plaats te houden. Zo wandelde hij verder langs het bospad.
Ineens hoorde hij een luid gejoel. Uit de struiken sprongen twee jongens voor hem op het pad. Het waren Ullrick en Sieger van de Molenaar.
‘Hé, heksenjong!' riep Ullrick met de plaagstem die Matthias al zo vaak van hem gehoord had. ‘Draag je de mand op je hoofd als een meisje?'
En Sieger begon vóór hem op het pad te dansen en zong:
Meisje Matthias, je behekst me met je ogen.
Meisje Matthias, zou ik een pannenkoekje mogen?
Matthias greep de mand nu ook met zijn andere hand vast en klemde deze stevig op zijn hoofd.
‘Ga weg!' riep hij ‘Deze pannenkoeken zijn voor het Derkoningenfeest.'
Honend stapten de beide grotere jongens achteruit.
‘Aaah...' riep Sieger met gespeelde angst, ‘hij kijkt me aan met zijn duivelsogen, hij heeft me betoverd!'
Ook Ullrick speelde het spelletje mee en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Plotseling sperden ze allebei hun ogen open. Sieger verbleekte en Ullrick maakte happende bewegingen met zijn mond als een vis op het droge. Als aan de grond genageld bleven ze verstijfd tegenover Matthias staan.
‘Da... da...' hapte Ullrick, en het lukte hem om zijn hand op de schouder van Sieger te leggen.
Als bij toverslag draaiden de broers zich tegelijk om en renden zo hard als ze konden terug naar het dorp. Voordat Matthias besefte wat er gebeurde, waren ze uit het zicht verdwenen. Opgelucht haalde hij zijn schouders op. Hij had nooit gedacht dat de zoons van de molenaar zo goed toneel konden spelen.
Toen hoorde hij achter zich een geritsel en draaide zijn hoofd om. Verlamd van angst bleef hij staan: een paar meter verderop stond een grote grijze wolf tussen de bomen. Met gele ogen staarde het beest hem aan. Grommend ontblootte de wolf een rij tanden en kromde het lichaam. Matthias kneep hulpeloos zijn ogen stijf dicht, en wachtte tot het dier hem zou verscheuren.
Ineens voelde hij de warme adem van de wolf op zijn benen, en een lik tegen zijn knie. Hij durfde zijn ogen weer te openen en keek verbaasd hoe het grijze dier naast hem kwispelde als een hond. Het volgende moment had het zich omgedraaid en was tussen de bomen verdwenen.
Matthias was nog niet van de schrik bekomen toen hij opgewonden stemmen hoorde. Met Frenkel voorop kwamen de mensen uit het dorp aangerend.
‘Matthias!' riep Frenkel ongerust. ‘Matthias, is alles goed met je?'
Zijn vader tilde hem op en drukte hem stevig tegen zich aan. De mand met pannenkoeken rolde over de grond, maar daar lette niemand op. Tranen rolden over Frenkels wangen. Matthias had zijn vader nog nooit zien huilen en werd er verlegen van.
‘Mijn jongens kwamen het dorp in rennen en zeiden dat ze een grote wolf hadden gezien!' hijgde Dieter de Molenaar buiten adem.
Matthias knikte alleen maar en kroop dichter tegen zijn vader aan.
‘Wat gebeurde er, Matthias?' vroeg Frenkel zachtjes. ‘Normaal zijn er helemaal geen wolven in het Klaverdal.'
‘We moeten er jacht op maken!' riep Frijda, de vrouw van Dieter de Molenaar. ‘De mannen moeten dat beest doden voordat het iemand aanvalt.'
Matthias' hoofd schoot omhoog. ‘Nee!' riep hij zo hard als hij kon. ‘Het was een lieve wolf, hij heeft mij niks gedaan, hij heeft me zelfs gelikt en hij kwispelde met zijn staart!'
Er viel een ijzige stilte en de mensen stapten achteruit.
‘Zie je wel!' snerpte opnieuw de stem van Frijda terwijl ze met haar knokige vinger naar Matthias wees. ‘Ik heb het altijd al gezegd, kijk maar naar die ogen. Het is een heksenjong dat beschermd wordt door wolven. Het zou mij niets verbazen als hij die wolf zelf heeft geroepen om mijn jongens schrik aan te jagen. Hij zal nog onheil brengen over ons allemaal, let op mijn woorden!'
Het was een prachtige zonnige dag voor de viering van Derkoningen, veel te mooi om de feestvreugde door het voorval met de wolf te laten bederven.
Op het dorpsplein stonden al lange houten tafels voor het feestmaal. Zoals elk jaar hing het grote doek tegen de muur van het dorpshuis. Ook al waren de geborduurde letters door de jaren heen wat verweerd, het Derkoningenlied was er nog duidelijk op te lezen.
Elk jaar een nieuwe kroning
van een onderdaan,
die de dag van Ander-koning
op de troon zal gaan.
De koning zonder kroon
voor ene dag en nacht.
Een burger op de troon
houdt trouw voor hem de wacht.
Eén dag is onze Soeverein,
gewone burgerman.
die slechts door bij het volk te zijn,
hun noden leren kan.
Zo houdt de vorst zijn wijsheid,
waarmee hij ons regeert,
en ons tot grote daden leidt,
zijn volk dat hem vereert.
Het Derkoningenfeest was een oude traditie in Westenrijk. Eeuwen geleden besloot koning Esmeraldus de Derde dat je pas goed kunt regeren als je de mensen in het land kent en weet hoe ze leven. Eerst had hij daarom zijn raadsheren gevraagd om dat voor hem uit te zoeken, maar die vertelden hem alleen wat hij graag wilde horen. Niemand durfde iets te zeggen dat hem misschien niet zou bevallen, want hij was tenslotte de koning.
Toen kwam Esmeraldus op het idee om één dag per jaar zijn troon te verruilen met een gewone burger. Op datzelfde moment keek hij uit zijn raam en zag ver voorbij de kasteelmuren een boer zijn akker omploegen. Hij liet deze bij zich komen en stelde hem voor om de volgende dag van plaats te wisselen. Zo hoopte hij meer te weten te komen over het echte boerenleven. De arme man was te ontredderd om hier iets tegen in te brengen en bovendien spreek je de koning niet tegen.
In alle vroegte vertrok koning Esmeraldus naar het kleine huisje op de akker. Toen hij de volgende ochtend naar het kasteel terugkeerde, zaten zijn handen vol blaren van het ruwe werk en had hij een blauw oog, overgehouden aan een gevecht tijdens de jaarmarkt. De hele hofhouding was geschokt over het onkoninklijke gedrag van hun vorst. Maar Esmeraldus de Derde had een heleboel nieuwe dingen gezien en gehoord. Hij had geleerd hoe belangrijk de boeren zijn voor de welvaart van zijn volk. Als hun oogsten mislukten, zou het hele land honger lijden. Daarom liet hij grote watervoorraden aanleggen, om in tijden van droogte het land te kunnen besproeien. Ook kwamen er enorme schuren waarin noodvoorraden graan en gedroogde vruchten konden worden opgeslagen in jaren dat de oogst goed was.
Het jaar daarop ruilde hij met een visser. Nadat hij de hele nacht had helpen vissen, moest 's ochtends vroeg de vangst naar de markt worden gebracht voor de verkoop. Door een kuil in de weg brak het wiel van de kar. Nu duurde de tocht zó lang, dat de markt al voorbij was toen hij eindelijk aankwam. De volgende dag was alle vis bedorven en kon niet meer worden verkocht.
Zo leerde hij hoe belangrijk het voor zijn land was dat mensen snel en veilig konden reizen. Daarom liet hij alle wegen opknappen en goed onderhouden. Hierdoor bloeide de handel tussen de verschillende streken al snel op.
Tijdens de regering van koning Esmeraldus de Derde ontstond dan ook de welvaart die Westenrijk nog steeds kende. Het werd een vaste gewoonte voor de koning om eens per jaar een dag te ruilen met een van zijn onderdanen. De mensen noemden deze dag ‘Ander-koningendag', wat al snel verbasterde tot ‘Derkoningendag'.
Inmiddels was Derkoningendag uitgegroeid tot een ware feestdag in het hele land. Tegenwoordig was het al lang niet meer zo dat de koning van plaats verwisselde met iemand anders. Wel was de traditie gebleven dat hij één van de streken in zijn rijk bezocht om met de mensen zelf te kunnen praten en naar hun problemen te luisteren.
Koning Walian had het Klaverdal nog niet uitgekozen voor zijn bezoek, maar het feest was er niet minder om. In de kring van tafels midden op het plein werd een groot vuur gemaakt met een braadvarken aan het spit. Dit gebeurde onder leiding van Simon van De Schele Eekhoorn, want die had daar het meeste verstand van. Terwijl het varken werd geroosterd, droop het braadvet sissend in het vuur. De geur van gebakken spek deed alle magen knorren. Ondertussen dekten de kinderen de lange tafels, en de vrouwen stalden trots hun zelfgemaakte gerechten uit.
Matthias keek zijn ogen uit naar al dat eten. Grote eendenpasteien, gebraden kippen, sappige worsten, goudbruin gerookte vissen, geurende broden, enorme gele kazen, er leek geen einde aan te komen. En voor toe waren er fruitsalades en honingkoeken, bosbessentaarten en citroenpuddingen, rabarbercrème en niet te vergeten de pannenkoeken van zijn moeder, Miriam. Na Matthias' avontuur met de wolf had ze gelukkig nog genoeg tijd gehad om een grote nieuwe stapel te bakken. De mannen rolden grote houten vaten met bier het plein op. Op de tafels stonden de kruiken met wijn al klaar, en voor de kinderen was er bessenlimonade en karnemelk.
Op het hoogtepunt van de maaltijd werd het braadvarken opgediend. Het lag op een enorme schotel met een geglazuurde appel in zijn bek, en er waren vier mannen nodig om het te tillen. Trots liep Simon van De Schele Eekhoorn voorop terwijl het gebraad in een ereronde langs de tafels werd gedragen. Daarna sneed hij met zijn pasgeslepen mes dikke plakken af die werden rondgedeeld.
Matthias zat tussen Frenkel en Miriam in en genoot met volle teugen. Hij had zelfs een eigen beker wijn gekregen, verdund met water. Eigenlijk vond hij het helemaal niet zo lekker. Maar het was zo bijzonder dat zijn ouders hem groot genoeg vonden om wijn te drinken, dat hij maar deed alsof. Zijn wangen voelden warm aan in het schijnsel van het vuur. Met zijn mond vol bosbessentaart zuchtte hij tevreden. Hij voelde hoe Frenkel een arm om zijn schouders sloeg en hem even tegen zich aandrukte.
Op dat moment klonk een luide knal gevolgd door een fluitend geluid. De hemel lichtte op in alle kleuren van de regenboog die in duizend sterren uiteen spatten. Het vuurwerk was begonnen. Iedereen zat met zijn hoofd achterover naar het spektakel te kijken.
Iedereen behalve Tobias de Visser, die over de tafel heen naar Matthias staarde.
DE VERVLOEKING VAN ZORAH
Hoog op de rotsen stond het donkere kasteel. Golven beukten tegen de kliffen en de zeewind gierde rond de torens. Alleen in de koninklijke slaapkamers brandde nog licht. Op het bed lag koning Isgerias van Dragonië. Zijn magere gezicht was grauw verkleurd. Hij voelde dat hij nu snel zou sterven.
‘Malvezijn, ben je daar nog?' fluisterde hij.
De oude tovenaar stond op uit de stoel naast het bed.
‘Ik ben hier Sire, maar ik vrees dat ik niets meer voor u kan doen.'